By John Sharpe for the New York City Jazz Record

The confluence of birthdays of American saxophonist Anthony Braxton (Jun. 4th) and Dutch piano iconoclast Misha Mengelberg (Jun. 5th) has been sufficient cause for joint celebrations in the past. This year it spawned a whole festival. While Mengelberg (80) was not present due to illness, Braxton (70) was, bringing with him a coterie of young acolytes from the Tri-Centric Foundation. They joined forces with DOEK, the Amsterdam-based improvising collective, for six days of performances of members’ compositions and spontaneous improvisations studded with talks, open rehearsals, a bicycle tour and a final party (Jun. 2nd-7th).

Two main themes emerged during the festival: different approaches to reconciling charts for large ensembles with enough space for improvisers and allowing for multiple events to happen at once. Both strands came together in Braxton’s birthday concert, which formed one of the highlights of the festival. For the first he lead the Tri-Centric contingent, with the addition of drummer Michael Vatcher, through a Falling River Music graphic score. After a remarkably gentle and unified start, a series of smaller subsets erupted from the freeflowing interchange, often on the initiative of the musicians themselves, sometimes playing parts of other Braxton compositions. Rarely was everyone playing at once. Braxton divided his time between trademark airy galloping runs, listening to the interaction and cueing specific combinations. At one point Braxton stilled the throng for a stunning duet with cornet player Taylor Ho Bynum in which they traded unlikely gambits—slobbers, growls, mutters—from opposite sides of the stage, until gradually subsumed by others rejoining.

For the second set, Braxton lead the entire 20-strong company straight into a boppish big band piece. But that didn’t last much beyond the first few minutes as again Braxton began cueing exchanges from within the ensemble, including a duet for the guitars of Brandon Seabrook and Mary Halvorson and Kaja Draksler’s piano. But when Braxton began a saxophone duet with James Fei, Bynum stepped forward and began orchestrating other sections of the musicians. It wasn’t long before Fei was doing the same. The result was astounding, bewildering and intoxicating, often all at the same time. Sadly the whole set didn’t last for more than 40 minutes, but encapsulated a sizeable chunk of Braxton’s musical universe.

On Mengelberg’s birthday the next night, the parallels became obvious, as reed player Michael Moore lead everyone through an homage to Mengelberg. With two other constituents of the ICP Orchestra on hand in violinist Mary Oliver and trombonist Wolter Wierbos, the legacy was in good hands as they raided his book: bawdy circus marches, classic Ellington-ian swing, avant leanings, tightly voiced chamber groupings and Dadaist humor all grappled for space in the performance, sometimes propounded simultaneously by competing factions. Arresting solos by Bynum, tenor saxophonist John Dikeman and others spiced the ensembles. By way of theatricality Vatcher bounced a bagful of table tennis balls on his cymbals and keyboardist Oscar Jan Hoogland shambled to the front of the stage in faux drunken style to direct/ chasten the band. But somehow they collectively ensured that it all hung together. The set ended with a beautiful rendition of Mengelberg’s tearjerker “Weer is een dag voorbij” (Another Day Passed).

Given two separate airings, works by members of both DOEK and Tri-Centric vividly demonstrated the range of possible approaches, first in the intimate confines of Zaal 100 and later in the opulent Bimhuis. Among the most noteworthy were the conductions by Bynum, in which swinging melodies alternated with spiky improvisational combinations. But having witnessed the open rehearsals that afternoon when the musicians were first exposed to Bynum’s score and systems for navigating his piece, the results were nothing less than astonishing. That such a coherent work could materialize from a series of fragmented sketches, given what seemed like cursory run- throughs, was testament to both the musicianship on display and Bynum’s conception.

Bassist Carl Testa’s “Ultraviolet” subtly blended acoustic and electronic noises as well as notated and improvised materials to conjure a splendidly successful piece, a sort of glacial minimalism expanded and subverted by the electronic overtones, including a wonderfully squawky soprano saxophone outburst by Fei. Cornet player Eric Boeren’s tremendous “Market Place” contained echoes of Braxton’s love of contemporaneous events, as a brass band vied with a string quartet and included a barnstorming trumpet solo by Nate Wooley over a funky groove. French horn player Vincent Chancey curated a tuneful and polyphonic brass quintet, Draksler’s piece was a probing examination of bass textures, Fei’s bristled with jostling horns and Ingrid Laubrock’s contrasted slow moving ensembles with sudden crescendos.

Brief small-group encounters peppered the sets. Most successful of these were a quietly conversational summit, confounding expectations, by Dikeman, Seabrook and Chancey; a mercurial duet between Moore on alto saxophone and Wooley bartering lyrical and timbral shards; and a rambunctious quartet of Laubrock, Seabrook, bassist Wilbert De Joode and drummer Onno Govaert.

One last enjoyable surprise was the concluding cycle tour, which shepherded participants between four small venues across the city to hear sets sometimes including yet more of Mengelberg’s tunes. Outstanding was the trio of cellist Tomeka Reid, Chancey and Norwegian cellist Harald Austbø, who charmed with their attractive harmonies and inspired communication. The threesome of ICP alumni later presented a freewheeling communion of melody, extemporized arrangements and interplay. On clarinet, Moore was unostentatiously magnificent, using a whole host of unconventional techniques to do just what the music needed at any given point. In fact, that attitude summed up the whole week as fantastic musicianship embodied in a vast range of distinctive soloists came together in a program that delivered serious fun.


Door Peter Bruyn in FRNKFRT op 12 juni 2015.

Maar terug naar het Mengelbergweekeinde van Holland Festival en Doek. Het Amsterdamse muzikantencollectief had een tiental musici uitgenodigd van het Amerikaanse Tri-Centric collectief dat regelmatig met Anthony Braxton speelt en improviseert. Daarbij enkele ‘grote namen’ als hoornist Vincent Chancey, cornettist Taylor Ho Bynum en trompettist Nate Wooley. Op zaterdagavond voegden de Tri-Centric muzikanten zich samen met de Doek-muzikanten tot een negentienkoppig orkest dat zich op het repertoire van Mengelberg stortte. En dat erg goed deed. Er kwamen vooral veel stukken voorbij van het roemruchte ICP Orchestra-album ‘Bospaadje Konijnenhol 2’(6) uit de vroege jaren negentig en een vergelijking liet zich moeilijk vermijden. De swing was er. De soms bewust wat kreupele swing

OJ The Job

eveneens. De Amerikanen concentreerden zich op de partituur, maar de Doek-muzikanten beseften blijkbaar dat dat niet voldoende is voor een bevredigend concert.
Het is pianist en clavichord-speler Oscar Jan Hoogland die op een gegeven moment achter zijn instrumentarium vandaan komt om tussen de andere muzikanten vóór op het podium een dansje te doen in de beste Tristan Honsinger traditie. En slagwerker Michael Vatcher – Amerikaan weliswaar, maar al bijna 35 jaar in Amsterdam – die nadrukkelijk géén Bennink-stuntje wil uithalen, maar weldegelijk de lachers op zijn hand krijgt door een plastic boodschappentas vol pingpongballetjes over z’n drumkit uit te storten. Het maakt de muziek misschien in muzikale zin niet meteen ‘beter’. Het maakt het wel meer Misha – en daarmee toch weer beter. Want het blijft je bij; je praat er over.

Click here for the whole article.


Door Guy Peters in Enola

En dan ’s avonds: meer weelde. Niet enkel door de uitbundige, schier eindeloze klankkleuren van maar liefst negentien muzikanten (en het volume dat ze kunnen creëren), maar ook door een stilistische rijkheid die de Mengelberg-wereld in de tweede set vrijelijk uitbreidde. Maar eerst de eerste set, met daarin een reeks nieuwe composities voor verschillende bezettingen, van James Fei, Michael Moore en Ingrid Laubrock. De compositie van die eerste werd uitvoerd door een octet waarvan de namenlijst al behoorlijk indrukwekkend is, nl. trompettist Nate Wooley, kornettist Eric Boeren, trombonist Wolter Wierbos, hoornspeler Vincent Chancey, saxofonisten Ingrid Laubrock en John Dikeman en gitaristen Brandon Seabrook en Mary Halvorson, met Fei zelf ook op sopranino sax.

Het werd meteen een stuiterend steekspel van uithalen, heen-en-weer-getoeter dat aanvankelijk willekeurig uit de vingers leek te glippen, maar gaandeweg duidelijker contouren onthulde. Het zwol aan en nam af, er werd knap gespeeld met densiteit, tot het na een tijdje meer een gedruppel van klanken werd, een pointillisme dat werd onderbroken voor langere uithalen. Michael Moore’s “Toujours Maintenant”, waarvoor de band werd uitgebreid met een even grote reeks muzikanten – even inademen: Kaja Draksler (piano), Michael Moore zelf (klarinet), Tomeka Reid (cello), Mary Oliver (altviool), drummers Michael Vatcher en Onno Govaert en dirigent van dienst Taylor Ho Bynum -, denderde een heel andere richting uit.

Er werd gespeeld met tricky timing en door de combinatie van al die klanken kreeg het totaalbeeld een uitbundige weelde die de mengvorm helemaal kon uitbuiten. En er was wel degelijk aan gedacht om elke muzikant optimaal tot z’n recht te laten komen; zo kon je het ene moment Seabrook furieus aan de snaren zien sleuren, maar kreeg je even later een collectieve start/stop-dynamiek, een fanfare-achtige schwung of een latin vibe door de shakers van Vatcher. En Dikeman kreeg je zowaar eens op sopraansax te horen, ook geen alledaags gebeuren. Een compact triostuk voor Moore, Boeren en Ho Bynum trippelde voortdurend op de grens tussen abstractie en toegankelijkheid, met drie muzikanten die elkaar voortdurend doorkruisten en uiteindelijk belandden bij een breekbare melancholie.

Ingrid Laubrocks “Offering” liet tenslotte horen dat de saxofoniste ook een eigenzinnig componiste is, want haar stuk bracht de complete bende op het podium (nu ook bassisten Wilbert De Joode en Carl Testa en klankenbricoleur Oscar Jan Hoogland, die in de weer was met een elektrisch clavichord, een platenspeler, een vibrafoon en nog wat spullen) en verkende de meest verschillende uithoeken. ZO kon Wooley zich even laten gaan met staalplaat en voetengetrappel, zochten de gitaren schimmige oorden op, ontstond er even een elegant tussenstuk voor de vier strijkers, zorgden de percussionisten voor een muur van geluid en voerde opperhoofd Laubrock de bende door een even dromerige als excentrieke geluidenwereld.

De tweede set liet dan weer een heel ander geluid horen. De geest van Mengelberg was er voortdurend in aanwezig, maar de bewerkingen kregen ook duidelijk een Tri-Centric-injectie, schoven op naar de wereld van Braxton & co. En als je de titels van de composities die aan elkaar geregen werden niet had meegekregen, dan werd het voor de fans ongetwijfeld een machtig spelletje ‘raad het plaatje’, want de negentienkoppige (!) band raasde meteen door de vijfdelige medley van “Kneushoorn”, “Tetteretet 5”, “Waar bleef je? 1”, “Waar bleef je? 2” en “Kwijt”. Hoogland introduceerde een vinylplaat met knorrende en krijsende varkens (iets dat door de Nederlanders onthaald werd op schuddebuiken, en door de Amerikanen op onverstoorbaar ernstige gezichten), er doken plots pompommende riedels in op, De Joode bracht er zwier in, Moore danste lichtvoetig met die klarinet.

Hoempapa, marsroffels, semi-chaos, kamermuziek, pompende swing, hoekigheid. Het zat er allemaal in. Enerzijds met een vanzelfsprekende, bijna arrogante attitude (die van “had je misschien iets anders verwacht?”) en anderzijds stak de muziek soms vol schijnbare interne conflicten en onverenigbaarheden. Maar die werden met zo’n gulle creativiteit aangepakt, dat de rijke harmonieën, ontregelde ketelmuziek en struikelende ritmes steeds opnieuw een uitweg vonden. Er werd gegooid met pingpongballen (naar muzikanten en publiek), verwarring gezaaid met deelfracties, muzikaal heen en weer gekaatst en gezocht naar de meest excentrieke klanken (de eerste prijs gaat naar Wierbos, met Ho Bynum als verdienstelijke tweede), al dansend gedirigeerd (door Hoogland), balzaalelegantie uit de kast gehaald, net als bluesy swing, en gerotzooid met een paar andere K-composities (“Kafel”, “Kachel”), een knappe transformatie van ICP-klassieker “De Sprong, O Romantiek Der Hazen” gebracht (slechts een van de talloze referenties naar de dierenwereld die dag) en een versnelling teruggeschakeld met een prachtig “Weer is een dag voorbij”.

Er zal ook geen mens zijn die intussen de verpletterende solo van Dikeman in “Brozziman” vergeten is (zelfs z’n collega’s trokken de wenkbrauwen een centimeter omhoog), of de ingetogen solo van Wooley die erop volgde, het breekbare spel van Draksler of de huilende effecten van Halvorson in “Weer een dag voorbij”. Een set die uitblonk in collectieve rijkheid en bravoure, maar volop ruimte bod voor solomomenten, die op de meest uiteenlopende manieren werden ingevuld. En in de bisronde zou je zo gaan geloven dat het swingende Kansas City ineens in Amsterdam lag. Het was een uitbundig feest van maximale muziek. Nergens gemakkelijk of goedkoop, steeds met een angeltje en een extra laagje om te ontdekken. In de werelden van Mengelberg en Braxton ging het nooit zomaar om individuele expressie, het ging ook om inspiratie delen, kennis overdragen en, vooral, spelen met anderen. Na dit aanbod kon je dan ook niet anders dan denken dat de twee meesters hier vast trots op zouden geweest zijn. Een fantastische avond, Doek heeft zichzelf zonet een nieuwe uitdaging voor de volgende jaren bezorgd.

Complete article to be found here.


Door Herman te Loo in Jazzflits nummer 240 op 22 juni 2015.
Jazz op de planken. Pagina 16

ANTHONY BRAXTON

Datum en plaats:
4 juni 2015,
Bimhuis, Amsterdam.

Anthony Braxton, saxophone, by Jörg Krüger

Het Holland Festival laat soms behoorlijke steken vallen. De tachtogjarige Misha Mengelberg werd door de nieuwe artistiek directeur, Ruth Mackenzie, weliswaar geëerd met de uitvoering van ‘Koeien’, maar het evenement dat Stichting Doek organiseerde rond de Nederlander en de tien jaar jongere Anthony Braxton werd op eigen krachten geïnitieerd.
Een kleine week lang stortten tien leden van het muzikantencollectief Doek en een zelfde aantal van de Tri-Centric Foundation uit de VS zich op het werk van de twee grootmeesters van de vernieuwende jazz en improvisatiemuziek.
Op 4 juni was het Bimhuis de locatie voor een grootse viering van de zeventigste verjaardag van rietblazer en componist Anthony Braxton. Vóór de pauze had de jarige een tiental van zijn ‘meegebrachte’ muzikanten, plus slagwerker Michael Vatcher op het podium gezet voor de uitvoering van een compositie uit zijn ‘Falling River Musics’. Het ensemble speelde grotendeels visuele partituren, die bestonden uit een soort kleurige aquarellen. Zoals de titel al suggereert, kenmerkte de muziek zich door vloeiende bewegingen, met aandacht voor klankkleur en textuur. Lyriek en een uitgekiend dynamiekgebruik waren eveneens belangrijke ingrediënten en zorgden ervoor dat de grote groep nergens massaal klonk. Elk individueel instrument was gedetailleerd te ontwaren in het totaalgeluid. Als hij zelf even niet meespeelde, stond Braxton breed glimlachend toe te kijken hoe zijn meesterlijke muziek zich ontvouwde. Met deze nieuwe richting laat hij horen dat hij op
zijn zeventigste creatief bepaald niet stilstaat, maar nog jaren meegaat in de voorhoede van de nieuwe muziek.
Na de pauze trakteerde de jarige het publiek op een aantal oudere composities (onder meer uit de jaren zeventig), waarbij de deelnemende leden van Doek zich bij de Amerikanen voegden. Na een opening die klonk als een soort struikel-Ellington (met daarin de typerende Braxton-syncopen) leidden trompettist Taylor Ho Bynum en rietblazer James Fei naast Braxton zelf het ensemble. Het werken met dirigenten is in de geïmproviseerde
muziek niet nieuw (Butch Morris maakte er zelfs zijn enige rol van), maar met drie dirigenten die de muzikanten van cues voorzien, wordt het wel heel spannend. Het leverde behalve een fascinerend schouwspel ook muziek op die (ondanks de ouderdom van het geschreven materiaal) nergens gedateerd klonk. Er werd door alle twintig musici driftig gelezen, goed geluisterd en fenomenaal geïmproviseerd. De man in zijn eeuwige zwarte
vestje nam het overdonderende applaus dankbaar in ontvangst. Want bescheiden zal hij, ondanks zijn immense gaven, altijd blijven.
Herman te Loo

Click here for the whole edition.


Draai om je oren

Festivalverslag

Doek Festival 2015: ‘Doek meets Tri-Centric’

Een festivalverslag in woord (Ben Taffijn) en beeld (Willem Schwertmann)
Donderdag 4 t/m zaterdag 6 juni 2015, Bimhuis, Amsterdam

Het Doek Festival stond dit jaar geheel in het teken van twee verjaardagen: op 4 juni werd Anthony Braxton 70 jaar en op 5 juni vierde Misha Mengelberg zijn 80ste verjaardag. Een goede reden om voor dit jaar het festival de ondertitel ‘Doek meets Tri-Centric’ mee te geven.

Het grote ensemble in het kader van ‘Doek meets Tri-Centric’ (foto: Willem Schwertmann)De in New York gevestigde stichting Tri-Centric is het geesteskind van Braxton en heeft twee doelen. Ten eerste het zorgen voor uitvoeringen van de werken die Braxton schreef en schrijft voor grote ensembles en jonge musici. Daarnaast wil de stichting componisten ondersteunen die zich thuisvoelen in hetzelfde idioom als Braxton. Denk daarbij aan musici als Mary Halverson, Taylor Ho Bynum, James Fei en anderen. Braxton zelf beschrijft de missie van Tri-Centric als “an attempt to reestablish the position of art in relationship to the modern era.”

Als onderdeel van ‘Doek meets Tri-Centric’ waren, naast Braxton zelf, 9 musici met hem overgekomen uit de States en samen met 10 Nederlandse musici vulden zij een drietal avonden in het Bimhuis in, die het hoogtepunt van deze editie van het Doek Festival vormden. De donderdagavond stond geheel in het teken van het werk van Braxton, waarbij hij zelf aanwezig was. Vrijdag en zaterdag stonden in het teken van nieuw werk van de deelnemende musici en vrije improvisaties. Terwijl het tweede deel van het zaterdagavondconcert was ingeruimd voor een eerbetoon aan Misha Mengelberg. Nu, achteraf, kan zeker gesteld worden dat hier in het Bimhuis geschiedenis geschreven werd. Concerten van groepen met deze omvang zie je immers maar zelden. En dan hebben we het niet eens over de enorme inzet en gedrevenheid van de musici en de sfeer die een festival van een week, met zichtbaar genietende musici, met zich meebrengt.

Tayler Ho Bynum, Ingrid Laubrock, Kaja Draksler en John Dikeman op het Doek Festival 2015 (foto: Willem Schwertmann)In deze recensie kunnen dan ook niet anders dan enkele hoogtepunten aan bod komen van een uit zijn voegen barstend programma vol met prachtige, weerbarstige en eclatante muziek. Zoals gezegd was de donderdag gereserveerd voor Braxton. Waarbij met name het concert na de pauze van grote importantie was. Achttien musici, waaronder Braxton, brachten een collage van composities van Braxton op een wel zeer bijzondere manier.

Sinds eind jaren negentig, zo vertelt Taylor Ho Bynum na afloop, werkt Braxton met grote ensembles, waarin clusters van musici simultaan diverse composities vertolken. Per cluster heeft één musicus de rol van dirigent en die kiest met welke musici hij een stuk wil spelen. Hij houdt een bordje omhoog met het nummer van de compositie, bijvoorbeeld 92G, en het stuk begint. De musici mogen overigens kiezen om het betreffende stuk niet te spelen en mee te gaan met een andere dirigent die, tegelijkertijd, met het bordje van 89E staat te zwaaien. Uiteindelijk staan ze daar dan met zijn drieën te dirigeren, van links naar rechts manoeuvrerend: Braxton zelf, cornettist Taylor Ho Bynum en saxofonist James Fei. Je ziet de musici dan ook regelmatig razendsnel van partituur wisselen. Je weet immers van tevoren niet wie wanneer met welk bordje komt. En nu hoor ik u denken: ‘dat levert dan zeker wel een behoorlijke chaos op’. Welnu, niet dus! Al klinkt het soms wel bevreemdend. Want het kan zo maar gebeuren dat je links een melodieus gespeelde melodie hoort, terwijl er rechts een aantal musici flink aan het improviseren zijn in een wat minder harmonieus idioom. Ho Bynum merkt later terecht op dat Braxton musici veel vrijheid geeft, maar dat dit alleen werkt als musici hiermee om kunnen gaan. Deze musici konden het beslist en het leverde een zeer enerverend concert op.

Eric Boeren en Wilbert de Joode op het Doek Festival 2015 (foto: Willem Schwertmann)Op vrijdag en zaterdag stonden nieuwe composities centraal van de deelnemende musici, die eerder die week met elkaar zijn ingestudeerd. Drie composities verdienen hier even iets meer aandacht. Allereerst ging vrijdag ‘Market Place’ in première, een nieuwe compositie van Eric Boeren voor twaalf musici. Wolter Wierbos op trombone en Vincent Chancey op Franse hoorn starten met een enerverend duet, waarna Ho Bynum op cornet en Nate Wooley op trompet aanhaken en middels de rest van de band de enerverende dynamiek van de markt tot leven komt. Soepele melodieën en gekwetter wisselen elkaar af. En horen we daar een baby huilen en een brommer voorbij komen? Verderop raken bassist Carl Testa en violiste Mary Oliver in een boeiende dialoog verwikkelt, terwijl celliste Tomeka Reid, drummer Michael Vatcher en Kaja Draksler, voor de verandering op klokkenspel, een melig Balkanmelodietje spelen, zo kenmerkend voor een dergelijk straatorkestje. We maken een dansje. Tot slot gaat Boeren, die springerige noten blaast op zijn cornet, nog in duet met Drakslers kabbelende noten, die nu wel uit de piano komen.

Taylor Ho Bynum gebruikt voor zijn compositie, die hij vooralsnog ‘Sleeping Giant’ heeft genoemd, het complete orkest. Hij toont zich hier duidelijk schatplichtig aan Braxton, maar zijn idioom is harmonischer. Bijzonder is de manier waarop hij de aanstekelijk ritmische jaren twintig-jazz aan het eind van zijn stuk inbrengt en samenvoegt met de stekelige free-jazz elementen.

Maar het hoogtepunt van de nieuwe composities is ‘Offerings’ van Ingrid Laubrock. Op haar laatste cd van het Ingrid Laubrock Octet, ‘Zürich Concert’, bewijst zij reeds een zeer interessante componiste te zijn. Met ‘Offerings’ wordt dit alleen maar verder ondersteund. Het stuk begint met een soort van geblazen signaal, alsof er iets staat te gebeuren. Het wordt diverse keren herhaald, terwijl tussen de herhalingen door andere musici zorgen voor omgevingsgeluid: Oscar Jan Hoogland wappert met papieren en Wooley glijdt met een stukje aluminium langs zijn trompet. Verderop zorgen James Fei en Michael Moore – beiden op basklarinet – voor mooie donkere accenten, die goed harmoniëren met de donkere piano-aanslagen van Draksler. Het slot past volledig in het hedendaags gecomponeerd idioom: Vatcher bewerkt de gong in een oorverdovend duet met het slagwerk van Govaert, waarna gitaristen Mary Halverson en Brandon Seabrook samen met Draksler op piano een razende partij neerzetten, gevolgd door een verstild en indringend einde.

Ingrid Laubrock, Wilbert de Joode en John Dikeman op het Doek Festival 2015 (foto: Willem Schwertmann)De tweede set van de zaterdag was gewijd aan de muziek van Misha Mengelberg. Michael Moore had voor deze gelegenheid de arrangementen gemaakt voor wat een groot uitgevallen ICP Orchestra van 19 musici zou kunnen noemen. En wat moeten we nog zeggen over de muziek van Mengelberg? Het is alles; een eclectische mengelmoes van stijlen trekt aan je voorbij. Je hoort onvervalste swing, de fanfare, het circus, melige melodietjes, grappige dansjes én onvervalst klassiek, zoals het strijktrio in ‘Kwijt’, bestaande uit Oliver, Reid en Tesla. Vatcher gooit met tafeltennisballetjes, Hoogland gooit ze terug. Hoogland excelleert hier overigens ook met leuke stemmetjes uit zijn grammofoonplatencollectie. En passant zet hij een prachtige parodie op het vak van dirigent neer. En Fei, hier op elektronica, houdt een wedstrijd vreemde geluiden produceren met Wierbos. En dan is daar het laatste nummer met de zeer toepasselijke titel ‘Weer Is Een Dag Voorbij’. Draksler speelt een melancholieke melodie op de piano, waar Seabrook op gitaar en Hoogland op keyboards mooi op aansluiten. Het koperwerk klinkt zachtjes, de strijkers weemoedig en dan volgt een vioolsolo van Mary Oliver. Een betere afsluiting van drie geweldige avonden in het Bimhuis is niet mogelijk!

Click here for the online version of the article inclusive photos by Willem Schwertmann.

Click here for the photo report of the festival by Willem Schwertmann.


For all our Serbian friends click here to read about the Doek Festival 2015.