 
Cor Fuhler · piano, organ/synthi, clavinet, compositions
Anne La Berge · flutes, electronics
Ab Baars · clarinet, tenor saxophone
Tobias Delius · tenor saxophone, clarinet
Andy Moor · electric guitar
Nora Mulder · cimbalom
Michael Vatcher · percussion, singing saw
Tony Buck · percussion
Wilbert de Joode · double bass
biographies of the members (other page)
The Corkestra
Corkestra's sound is vintage Cor Fuhler: tuneful, lively, colorful, humorous and a little bit off-center. That's not to deny the contributions of the varied players involved: but Fuhler did bring them together, after all.
Their sound is distinctive as a fingerprint, what with that big percussion section, three winds but no brass, and the leaders own puckish work on organ and clavinet spearheading the rhythm trio. Still, in some ways, Corkestras singular music does recall medium-size bands composer Sun Ra led over the years. His Arkestra was likewise driven by catchy, bumptious clavinet and bass licks; its open instrumental texture was often crowned by twittering flutes, when a powerful tenor sax might take the lead. And like Sun Ra, Fuhler has an ongoing fascination with antiquated electronic keyboards, like the Philicorda organ and the Synthi. Its as if Cor had a keyboard handy for every mood, texture or coloristic palette his fellow players conjure up in their improvisations or treatments of themes.
Rather than provide the 3+3+3 nonet with full scores to interpret, hes handed them something like a do-it-yourself composition kit. Hes written a collection of catchy riffs, bass vamps, and fast or slow, shorter or longer melody lines, which the players then assemble like building blocks, combining and superimposing them to create a new piece on the spot.
In the 1980s Anthony Braxton developed a way of layering one composition over another, but Fuhlers complicated version sports its own inventive wrinkles. Sometimes a score specifies time values but not pitches, and sometimes the reverse. Sometimes the musicians are given a choice of two different versions of the same theme, or are allowed to skip notes here and there, and the multi-instrumentalists may select which axe to play it on. Players may pick their own tempo or key sometimes too, or may be allowed to play some notes sharp or flat, which makes for some curious parallel harmonies (as in Ornette Colemans harmolodics, or Monks clanking piano). And the musicians who arent following the score can embellish the composition in progress, or create a countermelody or some other feature. That the same melodic fragments might recur in new guises in the course of a program allows for a level of thematic unity rare in improvised music.
Its fun for musicians, to get to flesh out a chart like that, and Fuhlers puckish little tunes and tunelets are aimed at just such a sense of play. Nothing is too heavy, or harshsave maybe when Moor lets loose with his thick and crunching dissonant chords, which he doesnt overdo: he waits for his spots then makes the most of them, and doesnt get in the way. The absence of brass softens the ensemble sound from the git-go, and Deliuss warm and furry tenor sax sound makes pretty lines even prettier. Not even the drummers trip each other up, for one thing because they listen to each other, and for another because each might play something else: Heather his sampler, Purves his toys or pennywhistle, Vatcher his tuned zither the hakkelbord, or his musical saw.
The saw, which Vatcher plays with a violin bow, is a vital part of those pieces for which Fuhler does write (often open-ended) parts for specific players and instrumental voices, the aim being to recreate the pure sine waves of an early synthesizer using mostly acoustic axes. Its all part of the quest for a unique ensemble sound.
Fuhler aids that search by turning the players loose in the improvised subgroups that punctuate a Corkestra set, letting the musicians discover the bands own personality, and their own interrelationships, apart from the composers conscious intervention. In addition, textural group improvisations often lead the players to ideas they might not have anticipated, but which fit the needs of the moment.
Granted, Fuhler does hint at which direction to sail in, by setting the order of pieces, making up the subgroups, and deciding which fragmentary pieces to combine. In devising modular set lists he takes cues from Misha Mengelbergs ICP Orchestra, but even with ICPs Ab Baars lending his extreme tenor sax and clarinet to the mix, this band goes its own way. Fuhler and his cohorts are too independent for anything else. Thinking for ones self is a big part of what this Corkestra is about after all.
Sun Ra, Braxton, Mengelberg: in their different ways each is a genius at organizing organic, half-composed, half-improvised group music. Theirs are big footprints to walk in, but Cor Fuhler has big shoes of his own.
Kevin Whitehead <<
Het Corkestra
De klank van het Corkestra combineert het beste wat Cor Fuhler in zich heeft: melodierijk, levendig, humoristisch en een beetje excentrisch. Hiermee moeten we niet de bijdragen onderschatten van de diverse groepsleden - twee uitstekende en elkaar niet overbodig makende drummers (Michael Vatcher en Tony Buck), de klassieke fluit- en piccolo-virtuoos Anne La Berge, twee briljante tenorsaxofonisten, te weten Ab Baars en Tobias Delius, de wendbare en krachtige bassist Wilbert de Joode, Nora Mulder op cimbalon, en de heerlijk lawaaierige gitarist van The Ex, Andy Moor - maar uiteindelijk is het wel Fuhler geweest die ze bij elkaar heeft gebracht.
Hun klank is zo uniek als een vingerafdruk, met die grote slagwerksectie, drie blazers maar geen koper, en het plagerige spel waarmee de leider op orgel en clavinet de speerpunt vormt van het ritme-trio. Desalniettemin doet de eigenzinnige muziek van het Corkestra denken aan de middelgrote bands die componist Sun Ra in de loop der jaren heeft geleid. Zijn Arkestra werd eveneens aangevuurd door de aanstekelijke, alomtegenwoordige clavinet- en bas-licks; de open instrumentale structuur werd vaak gevuld met kwetterende fluiten, tot een krachtige tenorsax het voortouw nam. En net als Sun Ra blijft Fuhler gefascineerd door ouderwetse elektronische keyboards zoals het Philicorda-orgeltje en de Synthi. Het lijkt alsof Cor een keyboard heeft voor iedere sfeer, textuur of kleurenpalet die z'n medespelers oproepen in hun improvisaties en behandelingen van het thema.
In plaats van het 3+3+3-nonet volledige partituren te geven om te interpreteren, biedt hij ze een soort doe-het-zelf compositiepakket aan. Hij heeft een verzameling aanstekelijke riffs, bas-vamps en snelle of langzame, kortere of langere melodielijnen, die de spelers dan als een soort bouwstenen in elkaar passen om ter plekke een nieuw stuk te creëren.
In de jaren '80 bedacht Anthony Braxton een manier om de ene compositie over de andere heen te kunnen leggen, maar Fuhlers ingewikkelde versie heeft zo z'n eigen inventieve rimpelingen. Soms schrijft hij in een partituur een maatsoort voor, maar geen toonhoogten, en soms het tegenovergestelde. Soms krijgen de muzikanten de keus uit twee verschillende versies van hetzelfde thema, of mogen ze her en der bepaalde noten overslaan, en de multi-instrumentalisten mogen zelf bepalen op welk instrument ze het spelen. Spelers mogen hun eigen tempo of soms ook hun eigen toonsoort kiezen, of mogen sommige noten verhogen of verlagen, hetgeen merkwaardige parallelle harmonieën oplevert (vergelijkbaar met Ornette Colemans harmolodics of Monks ratelende piano). En de muzikanten die de partituur niet volgen, kunnen de compositie die gespeeld wordt verfraaien, een tegenmelodie spelen, of een ander element inbrengen. Dat dezelfde melodische fragmenten in nieuwe gedaanten terugkeren in de loop van een programma, leidt tot een thematische eenheid die zelden in geïmproviseerde muziek te vinden is.
Het is leuk voor de muzikanten om een compositie op deze manier handen en voeten te geven, en Fuhlers plagerige melodieën en melodietjes zijn erop gericht om precies die manier van spelen te bewerkstelligen. Niets is zwaar of ruw - behalve misschien wanneer Moor loos gaat met z'n vette en knisperende dissonante akkoorden, die hij overigens spaarzaam inzet: hij wacht z'n momenten af, buit ze uit, en gaat niet in de weg zitten. De afwezigheid van koper maakt de ensembleklank meteen al zachter, en Delius' warme en wollige tenorsax-geluid maakte de lieflijke lijnen nog lieflijker. Zelfs de drummers laten elkaar niet struikelen, allereerst omdat ze naar elkaar luisteren, maar ook omdat ze soms allemaal iets anders bespelen: Heather z'n sampler, Purves z'n speelgoed of z'n pennywhistle, Vatcher z'n gestemde citer of hakkebord, of z'n zingende zaag.
Die zaag, die Vatcher met een vioolstrijkstok bespeelt, speelt een grote rol in de stukken waarvoor Fuhler (vaak open) partijen voor specifieke muzikanten of instrumentale stemmen schrijft. Hij wil daarmee de pure sinusgolven van een vroege synthesizer creëren met behulp van vooral akoestische instrumenten. Het hoort allemaal bij de zoektocht naar een unieke ensembleklank.
Fuhler stuurt die zoektocht door muzikanten los te laten in improviserende subgroepen die een set van het Corkestra onderbreken, waarbij hij de muzikanten de persoonlijkheid van de band laat ontdekken, alsmede hun onderlinge verstandhoudingen, los van de bewuste inmenging door de componist. Daar bovenop brengen gestructureerde groepsimprovisaties de spelers op ideeën die ze misschien niet hadden voorzien, maar die de behoefte van het moment kunnen bevredigen.
Fuhler geeft weliswaar een idee van welke kant het op moet gaan, door een volgorde van stukken te bepalen, de subgroepen samen te stellen, en te beslissen welke fragmentarische stukken er gecombineerd worden. Het idee van het opstellen van modulaire setlijsten is ingegeven door Misha Mengelbergs ICP Orchestra, maar ondanks het feit dat ICP-lid Ab Baars z'n extreme tenorsax en klarinet aan het mengsel toevoegt, gaat deze band toch z'n eigen kant op. Fuhler en z'n trawanten zijn te onafhankelijk voor iets anders. Voor jezelf denken is een belangrijk onderdeel van waar het Corkestra over gaat.
Sun Ra, Braxton, Mengelberg: op hun geheel eigen wijze zijn alle drie genieën in het organiseren van organische, half-gecomponeerde, half-geïmproviseerde groepsmuziek. Dat zijn grote voetstappen om in te gaan staan, maar Cor Fuhler bezit zelf een paar behoorlijk grote schoenen.
Kevin Whitehead <<

|